Speelruimte - Jan-Hein de Wit
15761
page-template-default,page,page-id-15761,page-child,parent-pageid-15744,bridge-core-2.9.0,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-27.4,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,usm-premium-15.9-updated-2021-07-31,wpb-js-composer js-comp-ver-6.6.0,vc_responsive

haar speelruimte

d

ansende lange haren, van achteren gezien
fietsende jonge vrouw of meisje; gelukkig misschien
haren op haar rug, haar rechte rug, een teder gordijn
daar glijdt een meisje door de tijd
maar haar ruimte is klein om zichzelf te zijn

 

fietsend naar school, rechte rug
daar zal ze dat meisje zijn, daar wordt ze moe
draaikolk, gefluister en pubergedoe
daar zal ze zwijgen, schuilen in ijver
blikken ontwijken

 

fietsend naar huis en recht haar rug
daar zal ze die dochter zijn, daar wacht de nacht
haar kamer boven
beneden rumoer en lawaaiende klanken
daar zal ze bang zijn en vluchten
en dromen

 

nu dansen haar lange haren
nu is haar tijd, haar ruimte, bewegend en zacht
ongestoorde dromen
langzaam om nergens te komen
nergens beginnen, haar ruimte zit van binnen

 

dansende lange haren, van achteren gezien
daar gaat een meisje, een vrouw misschien
een meisje op de fiets
wij weten niets