Opgelucht - Jan-Hein de Wit
16231
page-template-default,page,page-id-16231,page-child,parent-pageid-15744,usm-premium-16.0-updated-2022-01-02,sfsi_plus_16.0,sfsi_plus_count_disabled,sfsi_plus_actvite_theme_default,bridge-core-3.0.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-28.7,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.8.0,vc_responsive

opgelucht

Z

ij wil naar de overkant, daarom staat ze hier
daar is licht – lucht – eeuwigheid
nacht na nacht op wacht, treinen razen voorbij
alle keren doet zij een stap opzij
spoorstaven zingen: daar komt er een aan
in haar hoofd geen zang
wanhopig en bang

 

Hij klieft met zijn trein het duister
de tijd en de tijd en de lichten voorbij
momenten van zorg, momenten van spanning
als ergens ver weg een mens

 

Lieve lieve, ik ken je droefheid niet
je angsten, je diep verdriet
ik zou willen dat je opgelucht kon zijn
maar

 

Lieve man je bent mijn hulp, mijn redder in nood
ik ken je niet; ik wil niet dood
bang bevreesd beducht
jij geeft me lucht

 

Remmen kan hij niet
voor alles wat hij vreest

 

Zij maakt geen keuze
de overkant
het is haar vlucht

 

Aan het einde kan ze niet weten
of ze is opgelucht