Onder zijn hoede - Jan-Hein de Wit
16284
page-template-default,page,page-id-16284,page-child,parent-pageid-15744,usm-premium-16.0-updated-2022-01-02,sfsi_plus_16.0,sfsi_plus_count_disabled,sfsi_plus_actvite_theme_default,bridge-core-3.0.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-28.7,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.8.0,vc_responsive

onder zijn hoede

i

n de hal van de school naast de deur van de rectorskamer staat Sven te wachten. Hij wacht tot de rector uit zijn kamer komt. Het duurt even. Als Herman de deur opent valt zijn blik onmiddellijk op de dertienjarige Sven en zijn vragende blik. Herman laat hem binnen. Ze hebben een lang gesprek. De vader van Sven is overleden en zijn moeder is manisch depressief. Sven heeft een jonger zusje en voelt zich verantwoordelijk voor haar. Hij voelt zich ook verantwoordelijk voor zijn moeder.

 

Het is een verhaal, zoals Herman er al veel heeft gehoord. Elke keer is het weer verdrietig en zwaar. En ook deze keer besluit Herman deze jongen niet los te laten. Als Sven na een half uurtje de kamer van de rector verlaat, heeft hij een engel op zijn schouder.
Herman vergeet kinderen zoals Sven nooit. Als aan het einde van het trimester de rapportlijst verschijnt, zoekt Herman de cijfers van Sven op. Als de cijfers zorgelijk zijn loopt hij even bij de conrector binnen of spreekt een docent aan in de docentenkamer. En met enige regelmaat staat Sven voor zijn deur. Sven klopt nooit op de deur, maar wacht geduldig tot deze toevallig open gaat. “Je kunt altijd gewoon naar binnen gaan. Je hoeft niet te kloppen. Dat hoeft niet bij de kamer van de rector.” Het helpt niet, maar Hermans gebod geeft Sven veel vertrouwen.
In 1993 haalt Sven zijn diploma Atheneum. De rector gaat een paar jaar later met pensioen. Sven gaat zijn weg. Weg.

 

Herman heeft heel veel mensen onder zijn hoede genomen. Als je onder de hoede van Herman was, kon je niets gebeuren. Hij heeft al die mensen, onder zijn hoede, nooit losgelaten. Dat was zijn sterkste ideaal: neem mensen onder je hoede, houd ze vast en laat ze nooit meer los!

Drie jaar geleden loopt Herman de apotheek binnen voor een nieuwe lading pillen. Hij zal even moeten wachten en gaat op een stoel zitten. Hij is erg moe van het tochtje naar de apotheek. Een rustpauze komt gelegen en hij zit er op zijn gemak.
Naast hem zit een man, een dertiger. Het is Sven. Herman herkent hem niet en is zich niet bewust van de aanwezigheid van een oud-leerling. Sven herkent Herman wel. Hij legt zijn hoofd bij Herman op schoot en begint onbedaarlijk te huilen. Het is voor alle aanwezigen een ongemakkelijke situatie. Niet voor Herman. Hij weet inmiddels dat het Sven is en praat tegen hem. Sven wordt er rustig van. Hij vertelt dat hij met enige regelmaat moet worden opgenomen in een psychiatrische inrichting.
Ze spreken af dat Sven bij Herman op bezoek zal komen.
Sven komt op bezoek en vertelt het verhaal van zijn nog korte leven. Alles is mislukt en hij heeft alle relaties om zich heen kapot gemaakt. Herman geeft zich zonder reserve, zoals hij dat altijd doet als iemand een beroep op hem doet. Hij weet dat hij deze jongeman niet echt kan helpen. Maar hij probeert een vast punt te zijn in de chaos waarmee Sven wordt omringd. Hij vraagt Sven aan om met een zekere regelmaat bij Herman op bezoek te komen en bij te praten. Herman is lichamelijk zwak, versleten en wordt geplaagd door allerhande kwalen, maar hij wil nog steeds de rector zijn. Hij wil Sven houvast geven. Een onblusbare geestdrift, een ontembare drift om mensen niet aan hun lot over te laten, nooit meer los te laten. Nooit meer! Maar Sven heeft te weinig structuur in zijn leven om het contact met zijn oud-rector een vaste plaats te geven. Hij zal Herman nooit meer bezoeken.

 

Een jaar later krijgt Herman een enorme inzinking. Betty en de kinderen houden er rekening mee dat het ergste staat te gebeuren. Maar hij blijft leven. Hij is erg verzwakt en zijn bewegingsvrijheid is een stuk kleiner geworden. Hij wil nog wel een tijdje door-leven. Hij kan bijna niet meer lopen, maar geleidelijk aan maakt hij vorderingen. Het doel dat hij zich stelt is om naar de bibliotheek te kunnen: lopen naar de bushalte, met de bus naar de stad, en van de bushalte lopen naar de bibliotheek. Het is een enorme opgave. Maar na veel oefenen durft hij de reis aan. Hij is al uitgeput als hij bij de bushalte aankomt, maar hij gaat niet terug naar huis. Bij de bibliotheek aangeko-men is hij helemaal buiten adem. Hij kan geen stap meer verzetten. In de bibliotheek staat een bankje. Hij weet er te komen, zijgt neer en hapt naar adem.
Als hij er even zit ziet hij aan de andere kant van de ruimte Sven lopen. Sven ziet Herman zitten en zwaait naar hem. “Dag mijnheer van Galen!” Herman heeft nog steeds nauwelijks lucht. Hij besluit te doen alsof hij Sven niet ziet. Hij vreest het moment waarop Sven een gesprek met hem gaat voeren. Dat kan hij fysiek niet meer. Hij is leeg en doodop. Zo wil hij liever niet gezien worden.
Sven doet een tweede poging om Hermans aandacht te wekken. “Dag mijnheer van Galen!”. Dan geeft hij het op en verlaat het gebouw.

Enkele maanden later leest Herman in de krant dat Sven zelfmoord heeft gepleegd. Hij is 38 jaar geworden. Herman is er kapot van. Het is de eerste keer in mijn leven dat ik Herman zie huilen. Het maakt me verlegen, maar ook sterk. Ik praat er met hem over. Dat wil zeggen: Herman probeert mij uit te leggen hoe het zit. Hij vermant zich en neemt het heft weer zo snel mogelijk in handen. Want ook ik ben onder zijn hoede en hij wil mij niet in verwarring laten. Hij zegt zich uiteraard niet schuldig te voelen. Maar er knaagt iets aan hem. Hij zegt dat hij het zo jammer vindt dat deze man, die een moeilijke jeugd had overwonnen, niet in staat is gebleken om geluk te vinden.
Dat zei Herman. Maar ik dacht nog iets anders.

 

Het was voor Herman een diepe, diepe teleurstelling dat zijn lichaam hem in de steek liet op een moment dat hij misschien toch nog een oud-rector had kunnen zijn voor een oud-leerling. Hij had Sven moeten loslaten, terwijl hij zichzelf beloofd had dat nooit te zullen doen. Nooit.
Maar zijn verrekte lichaam zat in de weg.

Op dat moment besefte ik dat het leven van mijn bijzondere vriend voorbij was. Het zou nu alleen nog aankomen op sterven.