Mantelzorg - Jan-Hein de Wit
15725
page-template-default,page,page-id-15725,page-child,parent-pageid-15744,bridge-core-2.9.0,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-27.4,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,usm-premium-15.9-updated-2021-07-31,wpb-js-composer js-comp-ver-6.6.0,vc_responsive

mantelzorg: twee broers op een stadsterras

h

ij waant zich god
ik ben zijn sokkel en zijn mantel
hij is de maan, hij straalt
in duister om hem heen
hij koerst en spreekt, hij kent geen grens
hij is alles in niets, niets in alles
spreken hoort niet bij luisteren

 

ik zit zo stevig in mijn fort
gerust, mijzelf genoeg
de waanzin trekt aan mij voorbij
ik heb wat ik vroeg
maar vrees komt uit de grond omhoog
en maakt mijn fort doorzichtig
de grens van waan kruipt naar mij toe

 

zo breekbaar als ik ben
zo snel ik hem kan zijn
een tweeling zijn wij, een verbond
dun is de lijn, vloeibaar de waan
hij waant zich broer en broer
ziet broer, hij vraagt
waar houdt dit op een grens te zijn?

 

hij waant zich god op dit terras
dat hij het is, of ik het was?
broer van mij, de maan die straalt
mij kan het donker zijn op een terras
daar zit mijn broer, ik ben de zijne
heeft hij een probleem?
of is dat het mijne?