Handcrème - Jan-Hein de Wit
16043
page-template-default,page,page-id-16043,page-child,parent-pageid-15744,bridge-core-2.9.0,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-27.4,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,usm-premium-15.9-updated-2021-07-31,wpb-js-composer js-comp-ver-6.6.0,vc_responsive

Handcrème

I

n mijn klas zitten twaalf kinderen. Het zijn kwetsbare persoonlijkheden. Ze hebben weinig vermogens en ze zijn opgegroeid in zwak sociale of moeilijke omstandigheden. Als ze al uit een normaal gezin komen, hebben ze weinig meegekregen om met trots en vertrouwen in de wereld te staan.
Twee jongens vragen voortdurend om aandacht: Erdem en Tuan. Ze zijn druk, ongeconcentreerd en agressief. Als ze bij elkaar in de buurt zijn, vechten of schelden ze. “Vieze turk” en “hoerenjong” zijn nog zwakke toevoegingen. Maar ik vind ze aandoenlijk, onbeholpen en kwetsbaar. Ik heb een authentieke neiging om met ze te stoeien. Ik wil ze in de houdgreep nemen, of gemoedelijk een stomp geven tegen hun bovenarm. Maar ik ben voorzichtig.

 

Leraren moeten van hun leerlingen afblijven. Dat gebod heeft altijd gegolden, maar de samenleving is op dit punt veel alerter geworden. Leraren zijn ook alerter geworden. Er zijn situaties waarin een troostende hand of een beschermende arm gewenst zou zijn. Maar leraren kijken wel uit!
Als je in een kamer alleen bent met een kind, dan laat je de deur openstaan. Spreekkamers hebben vaak een glazen wand. Bijles geef je liever aan twee kinderen dan aan één kind. Mannen zijn nog voorzichtiger dan vrouwen.
Het is begrijpelijk, maar het is ook jammer. Een gebaar kan veel krachtiger zijn dan woorden. Lichamelijk contact bij verdriet of ongeluk komt beter binnen dan tekst. Maar er gaat te veel mis. En daarom is lichamelijk contact taboe.

 

Ik geef het vak Verzorging aan deze klas. Ik moet daarbij een diepere laag in mijn docentschap aanboren. Want van kennisoverdracht kan geen sprake zijn. Er is ook geen boek, er is geen leerstof, geen werkboek. Ik ben gericht op een goede sfeer, op ‘samen doen’. Ik wil dat ze zich veilig voelen. En dat ze positieve ervaringen opdoen. Ik wil ze helpen te groeien.
We koken. In het weekend zoek ik gemakkelijke recepten en ik verzamel ingrediënten. Mijn vrouw kijkt verbaasd toe: thuis kook ik nooit. En met mijn klas maak ik havermoutkoeken!
Het gaat soms moeizaam. Erdem zet een kraan open en Tuan houdt zijn duim tegen de opening. Dweilen! Tuan gooit een handdoek om de nek van Erdem en probeert hem te lynchen. Achter het behang!
De andere kinderen nemen geen deel aan deze oorlogjes. De meesten hebben genoeg aan zichzelf of ze hangen aan mij. “Meneer, Erdem heeft vanmorgen al een hele zak chips op!” “Dat is toch ongezond?!” “Ja, Bas, je hebt helemaal gelijk.” Ik pak ‘m bij zijn schouder om mijn compliment kracht bij te zetten.
Contact.

 

Maar vaak ook heb ik ze allemaal in mijn zak. Ook Tuan en Erdem. Dan zijn ze geconcentreerd bezig met sla en olie en azijn (en veel suiker!). Dan eten ze iets, dat ze thuis nooit op tafel hebben. “Mijn vader zegt dat sla konijnenvoer is.”
Er zijn ook de momenten dat ik trots ben op mijn twee toppers. Ze moeten de torso weer in elkaar zetten. Ze overleggen met elkaar over maag en lever. De maag past niet aan de linkerkant. “Meneer, zit de maag bij Turken ook links?” Ik moet er om lachen en de klas is gelukkig met zoveel vrolijkheid.

 

En die ene les.
Die les zal ik nooit meer vergeten. Ik hou veel van deze kinderen. Maar dat ik een brok in mijn keel zou krijgen.. Nadat de klas met het bekende rumoer, geduw en getrek het lokaal verlaten had, heb ik nog minuten lang voor me uit zitten kijken.
Voor mij op mijn bureau een doos handcrème.
Hoe eenvoudig kan het zijn!
Contact maken.
Met handcrème.

 

De les ging over wratten, sproeten, puistjes, blauwe plekken, schaafwonden en jeuk. Ik weet niet meer precies hoe ik het allemaal had georganiseerd. Maar ik had foto’s en werkbladen. En ik had een zeer geïnteresseerd gehoor. Nou ja, gehoor… Steeds vijf minuten luisteren en dan moesten ze weer iets doen.
Ik had me voorgenomen dat ik geen voorbeelden uit de klas wilde zien. Resoluut. Want vóór je het weet rukt een van de toppers aan een kledingstuk van een ander op zoek naar een cutane anomalie. Geen lichamelijkheid, alsjeblief! Ik had al eerder meegemaakt hoe gretig ziektes uit eigen familie werden besproken. Om maar niet te spreken over afwijkingen bij Turken en kampers…

 

Ik had vlak voor de les bij toeval ontdekt dat er in de kast manicuursetjes lagen. En een doos handcrème. Leuk voor de laatste tien minuten van de les.
“Als je klaar bent met het verzorgen van je nagels, kom je bij mij en dan zal ik je handen insmeren met handcrème.”
Wat zeg ik nu?!

 

Ze zitten allemaal druk te rommelen met de etuitjes: schaartje, vijltje en zo’n ding voor je nagelriem. Binnen vijf minuten staat Erdem voor me. Hij steekt zijn handen vooruit en straalt. Ik smeer zijn handen zorgvuldig in met de dunne crème. Die andere topper staat al te wachten. En als ik de handen van Tuan behandel, vormt zich een keurige rij achter hem: Jill, Geert, Sahid, Mieke, alle tien.
En een voor een steken ze hun handen naar me uit. Met een bedeesde blik, of wat verlegen gegrinnik. Maar zonder aarzeling. Met overtuiging zelfs. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is sta ik daar twaalf paar handen te zalven. Ik vind het heerlijk.
In een andere laag van mijn bewustzijn loert een lichte twijfel: is dit wel in de haak? Maar mijn twijfel verdampt al snel. Ik zie dat Erdem weer achteraan in de rij gaat staan! Als hij aan de beurt is, smeer ik voor de tweede keer zijn handen in.
We zeggen allebei niets.
Een blik van verstandhouding.
Ik ben ontroerd.

 

Triomfantelijk en met opgestoken handen loopt hij naar Tuan. Die springt overeind en stuift op me af. Zijn handen uitgestoken.
En dan gaat de bel. Ik ben gered.
Ik had nog vele handen willen zalven.