Column | Onbespied - Jan-Hein de Wit
16928
page-template-default,page,page-id-16928,page-child,parent-pageid-16576,usm-premium-16.2-updated-2022-11-02,sfsi_plus_16.2,sfsi_plus_count_disabled,sfsi_plus_actvite_theme_default,bridge-core-3.0.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode-theme-ver-28.7,qode-theme-bridge,disabled_footer_bottom,qode_header_in_grid,wpb-js-composer js-comp-ver-6.8.0,vc_responsive

2025-02 ONBESPIED

Odapark. Een zandheuvel met sparren en dennen veranderde rond 1900 in een park, het Odapark. De Ursulinen bewoonden een groot klooster op de plaats waar nu het gemeentehuis staat en beheerden een school, Jerusalem. En een internaat voor meisjes. Deze zandheuvel werd gekocht door de Ursulinen, bedoeld als buitenverblijf voor de meisjes van de kostschool. De prior of prière, Mère Felicité, liet hier in dit bos, struiken en uitheemse boomsoorten planten. Er werden paden aangelegd en prieeltjes gebouwd.

 

Het Odapark werd zo een recreatiegebied voor de kostschoolmeisjes. Die meisjes, voornamelijk van goede komaf, kwamen verder nauwelijks buiten. Behalve wanneer ze op weekendverlof naar huis gingen. Odapark was dus het speelterrein voor de pubermeisjes van Jerusalem.

 

Een belangrijk element in het Odapark waren de prieeltjes. Op drie plaatsen in het bos was er zo’n prieel. De originele prieeltjes zijn er niet meer. Prieeltjes werden gebruikt om te schuilen, om te bidden en voor kleine samenkomsten. Maar ze werden zeker ook gebruikt door de meisjes om samen te babbelen, meisjesdingen bespreken, kletsen en roddelen.

 

De pensionaires hadden weinig vrije tijd. De schooldag was lang en na school moest je je vermaken in de ‘huiskamer’. Spelletjes doen, giebelen en kletsen. En op woensdagmiddag was het vrij. Dat wil zeggen dan gingen de meisjes, pensionaires, onder begeleiding van de Ursulinen naar het Odapark. Het was niet altijd even leuk en soms was het ook slecht weer. Maar voor veel meisjes was het een omgeving om onbespied hun eigen gang te gaan. Bijvoorbeeld om geheime gesprekken te voeren in een clubje. In een prieeltje.
Een vrouw die er haar jeugd doorbracht vertelt: “Ik herinner me wel dat we in zo’n prieeltje samenkwamen. Zeker als de nonnen uit de buurt waren kon je er gezellig kletsen. En waar hadden we het dan over? Over sommige nonnen die krengen waren. Over een stiekeme ontsnapping om even naar een winkel te gaan. Of gewoon over jongens. Maar ook over intieme meisjesdingen.”
“Bijvoorbeeld over menstruatie. Menstruatie was voor ons een beetje een raadsel. Het overkwam je. Je werd van huis uit niet voorgelicht en ook de nonnen spraken er met geen woord over. Ik had een klasgenootje en die heette Mieke. Die voelde zich verantwoordelijk om andere meisjes uit te leggen wat menstruatie allemaal inhield. En als je Mieke in een prieeltje zag zitten met een kring meisjes, dan kon je wel raden waar ze het over hadden”

 

Als de nonnen uit het zicht waren, dan was de toon van het gesprek een heel andere dan in hun aanwezigheid. Dan voelden de meisjes zich onbespied. Dan werd er veel besproken, wat de nonnen niet mochten horen. Misschien wisten de nonnen het ook wel en hadden ze de wijsheid te weten dat het goed is als pubers zich soms en ergens onbespied voelen. Hier in het Odapark voelden ze zich onbespied. Hier was ruimte voor verhalen en gesprekken zonder toezicht. Gesprekken in het prieeltje over menstruatie en baby’tjes krijgen, en over jongens. De meisjes van Jerusalem. In dat mooie bos.