2026-05 ZWIJGEN 1
2026-05 ZWIJGEN 1
Zwijgen is het gezicht van verondersteldewijsheid.
Ik praat niet veel. Mijn kinderen roddelen over mijn telefoongesprekken. Die vinden ze niet gemakkelijk omdat ik zo kort van stof ben. Inmiddels zijn ze het gewend. Als ik eens een verhaal afsteek, zit ik op mijn praatstoel, zeggen ze. En als ik dan de smaak te pakken heb, ben ik niet meer te stuiten. Hoe dat precies werkt, weet ik niet. Maar de rol van fantast en praatjesmaker ligt me beter dan die van de causeur bij de bushalte of op een terras achter een nul-puntnul.
Sommige mensen slepen de hele dag een praatstoel met zich mee. vind het verbazingwekkend hoeveel iemand kan praten. Ik vind het jaloersmakend als iemand met het grootste gemak tegen onbekenden of oppervlakkige kennissen lange verhalen kan vertellen.
Ik zat op een feestje naast een mij onbekende man. “Nieuwe schoenen?”, zei hij. “Inderdaad.” was mijn maximale tekstlengte. Ik perste er nog uit: “Ze knellen nog, maar dat is de prijs van mooie nieuwe schoenen.” En daarna volgde zijn verhaal over wetenswaardigheden van schoenen in het algemeen en zijn schoenen in het bijzonder. Ik humde en hield het gesprek gaande door af en toe te variëren met “interessant”, “inderdaad” en “oh?”. De kans is groot dat hij later tegen zijn vrouw zei dat hij naast een verstandige man zat en een goed gesprek had over zijn schoenen.
Het is geen kwaliteit om te zwijgen net zo min als het een prestatie is om te blijven praten en (in mijn beleving) niet in staat te zijn om te stoppen. Ik ben niet wijzer dan de prater, al wil het spreekwoord dat ons voor houden. Ik zie zwijgen ook wel als verlegenheid of onzekerheid of perfectionisme. Waarom zou ik uitweiden over een bloeiende fuchsia in de wachtkamer van de tandarts? Misschien zeg ik domme dingen of is mijn gesprekspartner allergisch voor fuchsia’s.
Mijn zwijgen wordt soms ten onrechte gezien als wijsheid. Zwijgzaam lijkt blijkbaar veel op bedachtzaam. Ik vind het allemaal zo ingewikkeld wat er gezegd wordt en ik wil alleen iets zeggen als ik het perfecte antwoord heb gevonden, maar dan is de ander al weer aan het woord.
Van de spaarzame herinneringen uit mijn jeugd is er een sterke herinnering over zwijgen. Ik ben ongeveer 8 jaar oud. Mijn vader of moeder is jarig en de kamer zit vol tantes en ooms. De bakkersjongen heeft een kist met gebakjes gebracht, waarvan de oubliehoorn met slagroom er goddelijk bij ligt naast zo’n rond ding met een smerige kers erop. Maar ome Jan kiest de oubliehoorn. Pech.
Ik zit tussen de tantes. Ze lepelen advocaat met slagroom. Daar ben ik op mijn gemak. Regelmatig word ik aangehaald door een van de tantes, haar boezem is voor een 8-jarige een gevaar voor verstikking, maar ik heb geen verweer. De tantes praten en praten. Ik vind het interessant maar begrijp er niets van. En dan zegt er altijd wel een tante iets vragends tegen mij. En de ander: “Hij zegt niks terug. Dat is een wijze jongen.” “Hè, jongen?!” Ik knik maar ben mentaal in een ander universum. Ik zwijg omdat ik de wereld om mij heen niet begrijp. Dat is wijs, zeggen mijn tantes.
Die levensles, als ‘menneke’ ontvangen, heb ik lang gekoesterd.