2026-02 MILD
2026-02 MILD
In gesprekken over mijn katholiekeverleden, heb ik vaker de aanduiding Brabantse katholieken gebruikt. En het zal in Limburg niet veel anders zijn geweest, maar daar ben ik niet opgegroeid. Ik doel met die typering op de balans tussen plichten en uitzonderingen, tussen het gezag en je eigen verantwoordelijkheid. In mijn herinneringen aan het katholieke leven van mijn jeugd, is de kerk geen strenge vader of autoritaire meneer. Over regels van de kerk kon wel worden onderhandeld.
Ik was misdienaar en dat was geen straf. Het was zelfs een voorrecht dat je uit de klas werd gehaald omdat er een begrafenis was en er dus een misdienaar nodig was. Status had de misdienaar, met zijn toog en witte superplie. En bij een begrafenisdienst mocht je een flambeau dragen. Een flambouw, heette dat. Het was een brandende kaars in glazen lantaarn op een stok. En dan heb ik het nog niet over het zwaaien met een wierookvat tijdens de processie. Fantastisch!
Ik herinner me geen plichten, die mij ergerden of hinderden. En als zo’n ‘plicht’ als het kerkbezoek niet uitkwam in het programma van een puber, dan was er altijd wel een alibi of gewoon een goed beargumenteerde afwezigheid… En als een excuus niet sluitend bleek, dan was mijn vader wel boos, maar god niet. Ik had geen gedachten over een god die mij eens zou straffen met hel en verdoemenis. Zelfs wanneer we, misdienaars in de sacristie, stiekem een handje ouwels (ongewijde hosties) uit een grote metalen bus graaiden, was ik niet bang voor een alziend oog of een donderende god. Hooguit vreesde ik de pastoor die het tegen mijn vader zou vertellen, als hij me zou betrappen op diefstal. Het was trouwens geen heiligschennis, want de hosties waren nog niet in de mis gebruikt. Dat zullen we, als deskundige misdienaars, wel zo beredeneerd hebben. Kleine rotzakken!
Mijn moeder had haar eigen regels, die even belangrijk waren als de regels van de kerk. Het was de tijd van een strikte rolverdeling tussen vader en moeder. Vader was van de regels en van de ‘buitenlandse’ zaken, moeder was manager van een gezin van elf personen. En zij moest dus de orde handhaven volgens de menselijke maat. Dat gold ook voor regels van de kerk. Ik was dus misdienaar en stond op de rol voor de vroegmis op doordeweekse dagen. Dat betekende vroeg opstaan en op tijd naar de kerk. Terwijl de rest van het gezin nog sliep, werd ik door mijn moeder geholpen om deze taak gedisciplineerd uit te voeren. In alle vroegte zat ze al in de keuken met opgewarmde koffie van de vorige avond en een paar oude korsten brood. Via de keuken ging je naar buiten. Moeders grenspost… Ze keek me aan en zei: “Hier jungske, een stukske brood met kaas.” Ik schrok.
“Moeder ik moet nuchter zijn anders kan ik geen communie krijgen!”, was mijn paniek. En toen kwam het geloof van mijn moeder van pas. “M’nne jonge, ik heb met Onzen Lieven Heer afgesproken dat gij zo’n stukske brood moogt hebben, en dègge dan tóch te communie kunt.”
Moeders milde geloof.