2026-04 WENNEN
2026-04 WENNEN
In 1968 was er veel gaande waarvan ik geen flauwe notie had. Het was een roerig jaar met veel protesten door studenten en de moord op Martin Luther King. Hoewel ik zelf student was, heb ik er in die tijd niets van meegekregen. Wij waren studenten biologie en hadden een pittige werkweek en geen TV en geen interesse in de krant.
Toch drong de geest van de revolutie op een bepaald moment onze wereld in. Het was het “caviaprotest”. Voor het practicum anatomie werden cavia’s gebruikt, die dezelfde dag nog waren vergast (dat noemen we nu bij kippen: ruimen). Sommigen protesteerden daartegen. Binnen enkele minuten was de staking volledig. De hoogleraar vond het ongehoord en dreigde met slechte cijfers. Maar het kwam goed. Na veel discussie werd beloofd naar andere mogelijkheden voor lessen anatomie te gaan kijken en wij deden ons werk met dode cavia’s.
Het gebruik van dieren voor onderwijs werd in de jaren erna steeds minder en in 1977 kwam er wetgeving. Later in mijn studie mocht ik voor een bijvak farmacologie het prestigieuze Rudolf Magnus Instituut betreden. Daar werd gewerkt aan de leerpil, zo werd beweerd. Een pil waardoor je je geheugen kon versterken. En ik mocht in dat kader een klein experiment met ratten uitvoeren. Het heeft overigens niet aan mij en mijn experiment gelegen dat het met de leerpil niets is geworden.
Voorafgaand aan zo’n onderzoek moest elke student een kort programma van praktisch onderzoek doorlopen. Onderdeel was een proefopstelling met een levend hartje van een rat, waaraan je stoffen kon toedienen waardoor het hartje sneller of langzamer ging kloppen. Dit zal veel mensen nu bevreemden. Maar het wordt nog erger… Want hoe kom je aan het levend hartje van een rat?!
In het laboratorium werkten verschillende laboranten, die zich nauwelijks bemoeiden met studenten. Ik herinner me de verveelde blik van de laborant aan wie ik vroeg hoe ik aan een rattenhartje kwam. “Kom maar even mee”. In een kleine ruimte stonden kunststof bakken met witte ratten. Hij pakt een rat en loopt naar een soort grote roestvrij stalen wastrog. Daar ligt een grote bebloede schaar. “Nooit aarzelen!” zegt de laborant. Het knipt de kop van de rat eraf en legt het onthoofde lijf in een bakje. “En nu snel opknippen en het hart in de installatie hangen. Je hebt 10 minuten, anders doet ie het niet meer en moet je opnieuw beginnen.” Ik sta te trillen op mijn benen en pak het bakje aan. Mijn grootste angst is dat het hartje niet werkt, en dat ik dan terug moet naar dat kamertje… Ik ben er in die week nog twee keer geweest. Alleen. Het went een beetje.
Na een week begint een van mijn medestudenten aan het programma. De laborant heeft geen tijd en wijst naar mij: “Vraag hem maar” “Kom maar even mee”, zei ik. En dan gebeurt er wat ik een week geleden voor volstrekt onmogelijk had gehouden. Ik pak een rat, loop naar de wastrog, neem de schaar en met de aanwijzing “niet aarzelen”, laat ik mijn medestudent de schrik van zijn leven krijgen. En ik sta er een beetje blasé bij. “Het went”, zeg ik tegen hem.
Jaren later was ik vaak In retrospectief onthutst dat een mens zo gemakkelijk went aan iets, dat hij vooraf niet voor mogelijk had gehouden. Dat is goed en slecht nieuws.